LJN: AA5960, Hoge Raad, R98/151HR
Feiten
In deze zaak kan worden uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden: Op 24 mei 1995 heeft Anton van een zekere Bernard twee onroerende goederen gekocht. Op grond van de koopovereenkomst diende levering plaats te vinden voor 31 december 1995. Bernard, die zijn Land met achterlating van aanzienlijke belastingschulden had verlaten, heeft Anton in december 1995 een blanco volmacht verstrekt, waarin werd vermeld dat Anton de koopprijs reeds had voldaan. In verband met diens belastingschulden heeft de Ontvanger op 8 maart 1996 ten laste van Bernard executoriaal beslag gelegd op deze onroerende goederen. Op dat moment had de levering aan Anton nog niet plaatsgevonden.
Anton heeft hierop een kort geding aanhangig gemaakt bij het Gerecht in Eerste Aanleg (GEA) en gevorderd het Land bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te veroordelen het beslag op te heffen. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 12 juni 1996 heeft het GEA de vordering van Anton toegewezen en het Land bevolen het beslag op de onroerende goederen binnen twee maal 24 uur op te heffen. Op 13 juni 1996 is de inschrijving van het beslag in de openbare registers doorgehaald. Gebruikmakend van de door Bernard verstrekte volmacht heeft Anton de onroerende goederen vervolgens op 18 juni 1996 aan zichzelf doen leveren. Het Land heeft echter tegen het kort gedingvonnis van 12 juni 1996 hoger beroep ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van de Nederlandse Antillen en Aruba. In dit hoger beroep heeft het Hof bij vonnis van 17 juni 1997 het vonnis van het GEA vernietigd, voor zover daarbij de opheffing van het beslag was bevolen. Het Hof heeft daartoe kort gezegd overwogen dat Bernard ten tijde van het beslag juridisch eigenaar van de onroerende goederen was, dat obligatoire rechten van Anton niet aan de rechtsgeldigheid van het beslag in de weg staan.
Op grond van dit vonnis heeft de Ontvanger op 20 juni 1997 de doorhaling van het beslag in de openbare registers ongedaan doen maken. Op 27 juli 1997 heeft Anton één van de onroerende goederen verkocht aan een derde. Teneinde dit perceel te kunnen leveren, heeft hij Ontvanger verzocht de (herleefde) beslagen (opnieuw) op te heffen. De Ontvanger heeft dit geweigerd. Tegen deze achtergrond heeft Anton een kort gedingprocedure ingeleid bij het GEA en gevorderd het Land en de Ontvanger, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te bevelen het (herleefde) beslag op de onroerende goederen op te heffen.
GEA :
Het GEA heeft de vordering van Anton afgewezen. Op grond van het arrest van de Hoge Raad van 23 februari 1996 geldt dat een beslag dat bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is opgeheven, door vernietiging van dat vonnis herleeft, met dien verstande dat de beslaglegger rechten die een derde heeft verkregen in de tijd dat het beslag was opgeheven, dient te eerbiedigen. Daarbij geldt echter wel dat die derde bij het verkrijgen van zijn recht te goeder trouw moet zijn geweest en naar het oordeel van het gerecht kan Anton niet als zodanig worden aangemerkt.
Anton heeft tegen het vonnis van het GEA hoger beroep ingesteld bij het gemeenschappelijk Hof van Justitie. De grief in het principaal appel richt zich tegen het oordeel van het GEA dat slechts rechten die door derden te goeder trouw zijn verkregen in de periode tussen de opheffing van het beslag en vernietiging van het desbetreffende vonnis dienen te worden geëerbiedigd bij herleving van het beslag.
HOF :
Een beslag dat bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis is opgeheven, herleeft door vernietiging in hoger beroep van dat vonnis, met dien verstande dat wijzigingen in de rechtstoestand van het beslagen goed in de periode tussen de opheffing en de vernietiging moeten worden geëerbiedigd (HR 23 feb 1996, NJ1996, 434) In casu zijn in de periode tussen de opheffing en de vernietiging de onroerende zaken door Bernard in eigendom overgedragen aan Anton. Daarmee zijn zij uit vermogen van de beslagdebiteur geraakt, zodat het beslag niet kon herleven.
Dat slechts een overdracht aan de verkrijger te goeder trouw dit effect heeft, is onjuist. Zulks zou niet stroken met de strekking van de uitvoerbaarheid bij voorraad van de opheffing, die erop is gericht dat de beslagdebiteur vrijelijk over het desbetreffende goed kan beschikken. Voorts kan de rechter die een beslag uitvoerbaar bij voorraad opheft eventueel aan die uitvoerbaarheid bij voorraad de voorwaarde verbinden dat tot een door hem te bepalen bedrag zekerheid wordt gesteld (HR 20 januari 1995, NJ 1995,413).
HR :
De opheffing van een beslag door de rechter is een beslissing van constitutieve aard, die een nieuwe rechtstoestand in het leven roept. Hoofdregel voor constitutieve vonnissen is dat zij de nieuwe rechtstoestand eerst doen ingaan wanneer zij kracht van gewijsde hebben gekregen. Het tijdstip waarop het beslag als opgeheven geldt is dan ook het moment waarop het vonnis waarbij het beslag werd opgeheven, in kracht van gewijsde is gegaan. Tot dat moment behoudt het beslag zijn werking. Wordt het vonnis waarbij het beslag werd opgeheven in hoger beroep vernietigd, dan blijft het beslag zonder onderbreking van kracht.
De rechter kan echter de opheffing van het beslag uitvoerbaar bij voorraad verklaren. In dat geval geldt het beslag als opgeheven vanaf het moment waarop de uitspraak wordt gegeven en blijft het ook als opgeheven gelden, indien een gewoon rechtsmiddel tegen de uitspraak wordt ingesteld. Wordt de bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde uitspraak vervolgens in hoger beroep vernietigd, dan herleeft het beslag, met dien verstande dat wijzigingen in de toestand van het beslagen goed in de periode tussen de opheffing en de vernietiging moeten worden geëerbiedigd.
De beslaglegger loopt bij herleving het risico dat het verhaalsobject voor hem verloren gaat, doordat derden rechten op het goed verkrijgen in de periode na het opheffingsvonnis en voor de vernietiging in appel. Dit risico kan worden beperkt, namelijk door de rechter te verzoeken het beslag op te heffen onder de voorwaarde dat eerst zekerheid wordt gesteld. Daarnaast kan een beslaglegger zich uiteraard verzetten tegen uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring, zodat het instellen van een rechtsmiddel de tenuitvoerlegging van een vonnis waarbij het beslag wordt opgeheven of waarbij hij wordt bevolen het beslag op te heffen, schorst. Hoewel duidelijk was dat Anton opheffing van het beslag wenste om de onroerende goederen aan zichzelf te kunnen leveren, heeft de Ontvanger het één noch het ander gedaan.
Essentie
Is er op het goed van een persoon beslag gelegd, dan kan die persoon als rechthebbende het goed vervreemden of bezwaren, maar het beslag heeft tot gevolg dat de door hem verrichte handelingen ten opzichte van de beslaglegger nietig zijn. Het beslag blijft als zodanig het goed volgen. Maar zou voor het een of andere reden het beslag door de rechter opgeheven worden, en wordt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard, dan kan de rechthebbende zijn goed rustig vervreemden. Indien het opheffingsvonnis later vernietig wordt, dan blijft de door hem verrichte vervreemding geldig. De beslaglegger kan dat voorkomen door de rechter te verzoeken om een eventuele opheffingsvonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren of door de rechter te verzoeken het beslag op te heffen onder de voorwaarde dat er eerst zekerheid wordt gesteld.
Verkrijging door extinctieve verjaring
LJN: AT 8240, Hoge Raad, C04/118HR
(Casus in Nederland plaatsgevonden, maar de artikelen komen overeen met de artikelen in het Nederlands Antilliaanse BW, en de essentie is ook hier rechtsgeldig)
Casus
Henk en Bert zijn buren. Henk is sinds 3 november 1998 eigenaar van perceel A. Bert is sinds 9 december 1971 eigenaar van perceel B. In deze zaak gaat het om de vraag of Bert door verjaring de eigendom heeft verkregen van de strook grond, totaal circa 325 m², die al sinds vele jaren bij hem als deel van zijn inrit in gebruik is, doch deel uitmaakt van het kadastrale perceel van Henk. Vast staat dat Bert dit strook grond sinds 1972 in gebruik heeft. Henk heeft hierbij onder meer aangevoerd dat er geen sprake kan zijn van een verkrijgende verjaring nu er steeds sprake is geweest van een persoonlijk gebruiksrecht van Bert naar blijkt uit de notariële transportakte van 18 februari 1981. De akte van levering van 18 februari 1981, waarbij de rechtsvoorgangers van Henk het perceel hebben verkregen, houdt onder meer in: “dat kopers het gekochte aanvaarden, op heden ontruimd en vrij van pacht, doch, voorzover het betreft een gedeelte van de inrit, in genot van huur ten behoeve van de firma Comar (toendertijd eigenaar van perceel B), partijen zonder nadere omschrijving voldoende bekend.......”.
Bert beweert dat hij reeds in 1972 bezitsacties heeft verricht met betrekking tot de strook grond doordat ter afscheiding een zandwel is geplaatst en de strook is verhard met puin en grind. Hierdoor is volgens hem de verjaringstermijn reeds in 1972 aangevangen en de verjaring is vanaf 1972 nimmer gestuit. Ter verdediging tegen de akte van 1981, heeft Bert getuigen meegenomen waaruit blijkt dat Bert in 1981 naar de toenmalige eigenaar van perceel A is gegaan, om te vragen of Bert het wagenpad mocht blijven gebruiken op dezelfde wijze als daarvoor wat inhoudt dat hij geen huur hoeft te betalen.
Relevante artikelen
In deze casus gaat het om de verkrijging door extinctieve verjaring op de voet van artikel 3:105 BW, inhoudende dat hij die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt ook al was zijn bezit niet te goeder trouw.
Een ander relevante artikel is artikel 3:306 BW, die bepaalt dat een rechtsvordering verjaart door verloop van 20 jaren. Ook van belang hierbij is artikel 3:111 BW die met zich meebrengt dat wanneer men eenmaal heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor een ander te houden, men daarmee onder dezelfde titel voortgaat zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van hem voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht.
Eindbeslissing
Bert is er niet in geslaagd te bewijzen dat hij de litigieuze strook grond tot aan 18 februari 1981 niet heeft gebruikt ten titel van huur. Door de afgelegde getuigenverklaring, inhoudende dat Bert in 1981 naar de toenmalige eigenaar van perceel A is gegaan om te vragen of Bert het wagenpad mocht blijven gebruiken op dezelfde wijze als daarvoor, niet anders kan worden uitgelegd dan dat Bert kennelijk op dat moment van oordeel was geen eigenaar doch gebruiker van de strook grond te zijn. Wanneer men eenmaal heeft aangevangen krachtens een rechtsverhouding voor een ander te houden, men daarmee onder dezelfde titel voortgaat zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, hetzij ten gevolge van een handeling van hem voor wie men houdt, hetzij ten gevolge van een tegenspraak van diens recht (artikel 3:111BW), en dat ervan moet worden uitgegaan dat Bert de litigieuze strook grond tot in 1981 als huurder in gebruik had, zodat tot aan die periode van bezit geen sprake is geweest. Gevolg hiervan is, dat toen Henk de rechtszaak tegen Bert begon, het voor een mogelijke verjaring vereiste 20 jaar niet voltooid was. Een eventueel lopende verjaring is tijdig gestuit door het betekenen van de dagvaarding.
Essentie
Wil iemand een perceel door acquisitieve verjaring kunnen krijgen dan zal hij het bezit van dat perceel moeten hebben. Bezit uit zich in de eerste plaats in de uitoefening van de feitelijke macht over het perceel als rechthebbende, ongeacht of men dit daadwerkelijk is of niet. Ondanks de wijzigingen die Bert aan de strook heeft aangebracht, kan er niet aangenomen worden dat er sprake is van bezitsacties, op dat moment wist Bert immers dat hij slechts huurder (en dus houder) van de strook grond was. Een houder van een goed kan nimmer door verjaring rechthebbende worden.
Hypotheekrecht; executie; openbare verkoop; veilingkoop; ontbinding
Op 20 mei 1980, heeft Aron een hypotheekrecht op zijn woonhuis aan de bank verleend.
Na een aantal jaren, is Aron in verzuim geraakt met de voldoening van zijn schuld aan de bank. Op grond van z’n recht van hypotheek, heeft de bank het woonhuis van Aron in het openbaar doen verkopen.
Het perceel is eerst op 5 september 1990 bij inzet, daarna bij afslag op 19 september 1990 geveild, en toen aan Celvin toegewezen.
Nadat de bank Celvin in gebreke heeft gesteld tegen 1 december 1990, heeft Celvin de koopsom op 2 december betaald, waarna de akte van veiling bij afslag en de akte van kwijting in de openbare registers zijn ingeschreven.
Intussen heeft Aron op 22 november 1990 al zijn schulden aan de bank afgelost. De bank heeft op die datum zijn hypotheek doen doorhalen. Op 28 november 1990, heeft Aron aan Celvin en de bank exploiten doen betekenen, onder meer inhoudende dat hij de overeenkomst van veilingkoop ontbonden verklaarde.
Aron heeft zich op het standpunt gesteld, dat hij de overeenkomst heeft ontbonden en eigenaar van het perceel is gebleven.
In cassatie gaat het om de aan de orde gestelde vraag of Aron bevoegd was de veilingkoop te ontbinden en eigenaar van het perceel is gebleven.
Relevante artikelen
Artikel 3:269 Burgerlijk wetboek: dit artikel bepaalt dat de openbare verkoop tot het tijdstip van de toewijzing ter veiling kan worden voorkomen, door voldoening van hetgeen waarvoor de hypotheek tot waarborg strekt en van de reeds gemaakte kosten van executie.
Artikel 527 - 529 van het wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering: in deze artikelen worden de gevolgen van een tekortschieten van de veilingkoper geregeld.
Beoordeling HR
Een verzuim van de veilingkoper, doet alleen voor de executant, die krachtens zijn eigen wettelijk recht de zaak heeft verkocht, een recht op ontbinding ontstaan.
Het standpunt, dat de geëxecuteerde schuldenaar in geval van verzuim van de koper bij de executoriale verkoop door een hypotheekhouder bevoegd is tot ontbinding van de koop, is in strijd met het stelsel van de wet en het wordt noch door de toepasselijke veilingvoorwaarden, noch door de eisen van redelijkheid en billijkheid gerechtvaardigd om aan te nemen dat Aron in dit geval desondanks die bevoegdheid heeft, ook al heeft hij intussen zijn schuld aan de bank afgelost.
Essentie
De bank, is uit hoofde van de krachtens eigen recht verrichte verkoop, gehouden tot levering aan Celvin. Alleen de bank was partij bij de overeenkomst van veiling met Celvin en de omstandigheid dat Aron na de toewijzing aan Celvin, zijn schulden aan de bank heeft afgelost, brengt niet mee dat Aron de bevoegdheid verkreeg om de koopovereenkomst met Celvin te ontbinden. Dit wordt niet anders, indien Celvin in gebreke blijft de koopsom te betalen. Alleen de bank, zijnde de executant, heeft de bevoegdheid de overeenkomst met Celvin te ontbinden, nu hij krachtens eigen recht het verbonden goed heeft doen verkopen.
Grensgeschil / Juridische levering
Inhoud casus
Benny en Cedrid zijn buren. Zij hebben destijds aan elkaar grenzende percelen, de kavels 1 en 2 in het verkavelingplan ‘Bon Biba’ te Curaçao, met de daarop in aanbouw zijnde woonhuizen gekocht en (juridisch) geleverd gekregen.
Benny verkreeg zijn perceel in 1990 van een zekere Ancho, terwijl Cedrid zijn perceel in 1993 verkreeg van diens zoon.
Uit de zich bij de gedingstukken bevindende kopieën van de desbetreffende notariële akten, blijkt dat aan Cedrid werd verkocht en geleverd kavel 2 ter grootte van 1040m², zoals nader omschreven in de meetbrief van de Dienst van het Kadaster d.d. 20 mei 1988, nummer 376, terwijl aan Benny werd verkocht en geleverd kavel 1 ter grootte van 860m², zoals nader omschreven in de meetbrief van 20 mei 1988, nummer 377.
De kavels van Cedrid en Benny zijn van elkaar gescheiden door een afrastering, die er reeds stond toen de rechtsvoorganger van Benny kavel 1 kocht. Partijen zijn aanvankelijk ervan uitgegaan dat die afrastering op de perceelsgrens stond. Bij een grensuitzetting verricht door de Dienst van het Kadaster, bleek echter dat bij de kavel van Cedrid 110m² teveel en bij Benny 110m² te weinig was afgerasterd, doordat aan de voorzijde van de kavels een verkeerde ijzeren buis als hoekpunt was aangehouden: de later door het Kadaster geplaatste ijzeren buis geeft het correcte hoekpunt aan.
Benny begon een procedure tegen Ancho en Cedrid, met het verzoek Ancho te veroordelen alsnog aan hem het ontbrekende stuk grond feitelijk te leveren en voorts te beslissen dat Cedrid moet gedogen dat de afrastering tussen kavel 1 en 2 wordt geplaatst bij de onlangs door de Dienst Kadaster geplaatste uiterste ijzeren buis.
Algemene informatie
Het eerste lid van artikel 3:84 NBWNA vereist voor overdracht:
1. levering
2. krachtens geldige titel en
3. verricht door hem die bevoegd is over het goed te beschikken.
Een onderscheid dient gemaakt te worden tussen de begrippen ‘overdragen’ en ‘leveren’. Overdragen houdt leveren in, namelijk het leveren (krachtens een geldige titel door een beschikkingsbevoegde) met eigendomsoverdracht als resultaat.
Overdragen heeft overdracht tot gevolg. Of leveren overdracht tot gevolg heeft, is daarvan afhankelijk of aan de andere vereisten voor overdracht (een geldige titel en beschikkingsbevoegdheid) wordt voldaan.
Ad 1
Wil er overdracht tot stand komen, dan zal aan een geldige titel door levering uitvoering moeten worden gegeven. De levering bestaat uit de voor overdracht benodigde handelingen van partijen. De wijze van levering is afhankelijk van het te leveren goed.
Een registergoed (in dit geval een perceel met het daarop in aanbouw zijnde woonhuis) wordt geleverd door een notariële akte gevolgd door de inschrijving daarvan in de openbare registers voor registergoederen. (3:89 NBWNA)
Ad 2
Onder ‘titel’ is in het eerste lid van 3:84 te verstaan: de rechtsverhouding die aan de overdracht ten grondslag ligt en deze rechtvaardigt. Deze rechtsverhouding zal gewoonlijk voortvloeien uit een obligatoire overeenkomst die tot overdracht verplicht. Dit is in deze casus de koopovereenkomst tussen Ancho en Benny.
Ad 3
In beginsel is de rechthebbende op het goed, degene tot wiens vermogen het goed behoort, beschikkingsbevoegd met betrekking tot dat goed. Levering van een goed door een niet beschikkingsbevoegde leidt in beginsel niet tot overdracht van dat goed. Onder bepaalde voorwaarden biedt de wet echter bescherming aan degene die door een beschikkingsonbevoegde heeft verkregen. In deze casus was Ancho bevoegd om zijn perceel te leveren aan Benny.
Eindbeslissing HR
Betoog van Cedrid was dat nu Ancho geen bezit heeft gekregen en gehad van de strook van 110 m², en hij zich dus niet als eigenaar daarvan beschouwt, Ancho haar ook niet (feitelijk) aan Benny kan leveren, en de wil van zowel Ancho als Benny ook niet daarop gerust was, doch op verkoop en levering van het perceel zoals dit al jaren daarvoor feitelijk was begrensd en omheind.
Dit betoog werd echter niet gehonoreerd door de HR: omdat bij de beantwoording van de vraag of de levering ook de strook grond aan Benny in eigendom heeft doen overgaan, het aankomt op de in de akte van 9 maart 1993 uitgedrukte wil van partijen, en de enkele omstandigheid dat Ancho niet bezitter van de strook was, voor hem geen beletsel vormde om, gelijk in die akte bepaald, de gehele kavel van 860m², aan Benny in eigendom over te dragen.
Essentie
Overdragen houdt leveren in, namelijk het leveren (krachtens een geldige titel door een beschikkingsbevoegde) met eigendomsoverdracht als resultaat. Wat er geleverd wordt bij een registergoed, moet duidelijk vermeld staan (bepaaldheidseis) in de notariële akte, die in de openbare registers bij het Kadaster wordt ingeschreven. Indien in de notariële akte staat dat een perceel met een oppervlakte van 860 m² overgedragen zal worden, dan wordt ook een perceel van 860m² overgedragen. Ancho hoeft als zodanig niet meer te leveren aan Benny, nu dat Benny sinds de inschrijving in de openbare registers, al eigenaar van de gehele kavel van 860m² is geworden.
Belangrijk voor de rechter is hetgeen staat in de meetbrief. In de meetbrief staat oppervlakte is X m². Indien in de transportakte vervolgens deze oppervlakte van X m² staat, dan verkrijgt de koper ook een oppervlakte van X m², ondanks dat koper en verkoper ten tijde van overdracht dachten dat de oppervlakte kleiner/groter was. Hierdoor is het van belang dat indien twijfel bestaat over de grote van de oppervlakte of indien de koper geen risico wil lopen --> altijd een verzoek tot grensuitzetting aanvragen bij het Kadaster.